Podium


Column Joost Nijsen


Breyten


Joost Nijsen 08-06-2009

Toen Federer gelauwerd werd op Roland Garros, ontging me in eerste instantie dat het gesoigneerde, goed in het pak gestoken heertje dat hem de beker overhandigde, niemand minder was dan Andre Agassi, ooit de rockster van het tenniscircuit, nu een sympathieke, tikje gladde gentleman, met de uitstraling van een CEO in de cosmeticabranche.
Ik bedoel, het kan me niet schelen, ik zou graag met Andre in diens cabrio langs de Côte d’Azur toeren op zoek naar een beetje leuk restaurant aan het strand – maar wat doet de tijd veel met mensen en wat blijft weinig bij het oude.
Sommigen zijn, om overigens onduidelijke redenen, uitverkoren op deze wrede natuurwet een uitzondering te vormen; één ervan is lid van onze auteursstal en luistert naar de ruimschoots allitererende naam Breyten Breytenbach. Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag is in Hengelo een expositie ingericht met werk van zijn hand. Hij lichtte dit zondag toe in een tv-uitzending van Kunststof. Ter introductie toonde men wat oude beelden van Breyten, uit zijn politiek en cultureel bewogen periode in de jaren zeventig en tachtig. Anders dan bij Agassi, zag je maar weinig contrast tussen de historische Breyten en de Breyten van nu, daar aan tafel in een eenentwintigste-eeuwse studio. Breytens haar vertoont dan wat zilverkleurige bedradingen, maar daar zat nog steeds diezelfde intellectueel wakkere, bebaarde artiest van weleer. Geen vermoeide, uitgebluste kunstenaar in zijn nadagen, maar onveranderd en onveranderlijk: Breyten Breytenbach.
Hoe komt het dat Breyten het doorgaans aardige, maar wat plichtmatige kunstprogramma direct naar een hoog niveau tilde? Allereerst door het niveau van zijn denken en zijn verbale vermogen. Toen hij de weinig verrassende vraag gesteld kreeg hoe hij omgaat met zijn dubbeltalent (schilderen, schrijven), bekende hij toch het liefst te schilderen, omdat het fysiek en zintuiglijk zo veel prettiger en bevredigender is dan het schrijven van een gedicht, dat toch meer een activiteit in het hoofd is. Terwijl hij die processen op boeiende wijze toelichtte, liet hij niet na de andere gasten (een zanger en een bouwmeester) bij het gesprek te betrekken. Binnen tien minuten ontstond een fascinerend gesprek over parallellen tussen de verschillende kunstvormen, waarbij Breyten vrijwel van nature de rol van gespreksleider overnam van de enthousiaste, maar wat oppervlakkige presentator Joost Karhof.
Vanwege zijn werk heeft Breyten zich al aardig onsterfelijk gemaakt – maar het begint erop te lijken dat hij, net als Harry Mulisch, die nu al een halve eeuw onveranderd en onveranderlijk op dure schoenen door de P.C. Hooftstraat loopt, ook als mens van vlees en bloed onvergankelijk is. Mocht u echter betwijfelen of Breyten ook over 25 jaar nog naar Nederland overkomt, haast u dan Hengelo-waarts, bijvoorbeeld voor een optreden op 17 juni met de al even illustere zanger-dichter Gert Vlok Nel.