Podium


Column Joost Nijsen


Wiener-melange


Joost Nijsen 06-01-2009

De wervende teksten achterop boeken worden meestal ‘flapteksten’ genoemd. Dat zijn ze feitelijk alleen als het boek een omslag heeft met flappen. In alle andere gevallen (paperbacks) luidt de correcte, maar stroeve term ‘achterplattekst’.
Lekker belangrijk!
Spreken we hier verder toch maar gemakshalve over flapteksten.
De meeste zijn demonstraties van superlatieven. Ik heb me er zelf decennia in geoefend.
‘In een sprankelende, trefzekere stijl weet de schrijver ons onder te dompelen in het wel en wee van drie generaties Zeeuwse plattelandsartsen. In deze indringende roman paart de veelgeprezen auteur schijnbaar moeiteloos een scherp gevoel voor detail en observatie aan een virtuoze, Latijns-Amerikaans aandoende verteltrant. Met deze medogenloze, virtuoze roman schaart de auteur zich in de voetsporen van Europese giganten als Tsjechov, Thomas Mann en August Strindberg – maar wat zouden deze grootmeesters dit fonkelende werk graag op hun naam hebben staan…’
Wij uitgevers schudden dit uit onze mouw. Geloof ons nooit.
Zou het allemaal wel een onsje minder mogen, soms kom je het diapositief tegen van een ronkende blurb. Die trof ik aan op de achterzijde van het zojuist verschenen Herinneringen aan mijn uitgevers van L.H. Wiener (diens voornamen werden ooit door een Meulenhoff-uitgever tot zijn blijvende verdriet met een streepje verbonden tot ‘Lodewijk-Henri’).
Wiener is een zeer goede verhalenschrijver, wiens boeken recentelijk soms lovende recensies ten deel vielen en regelmatig genomineerd en bekroond werden, maar die vanaf de start van zijn oeuvre in 1967 geworsteld heeft met een tegenvallende ontvangst en verkoop.
Op de achterzijde worden de volgende vragen opgeroepen:
‘Is Wiener een querulant? Is hij werkelijk de onmogelijke man voor wie sommige critici hem houden? Of zijn er andere redenen geweest die hem zo’n grillige weg door uitgeversland hebben doen gaan?’
Die vragen komen voort uit een moedige poging de zaak meteen helemaal open te gooien – maar zetten naar mijn smaak direct een te negatieve toon. Het klinkt toch een beetje als ‘is deze schrijver echt zo slecht als iedereen beweert, of valt het wel mee? ‘
Temeer vind ik het een riskante ‘wervende’ tekst daar na lezing van deze memoires niet vaststaat dat Wiener géén querulant is. In elk geval heeft hij met zijn herinneringen de knuppel in het hoenderhok van de Nederlandse uitgeverij gegooid. Hij wekt, om het zacht te zeggen, de suggestie dat uitgevers maar prutsers zijn: ‘Uitgevers zijn als vijanden,’ luidt de openingszin, ‘je kunt niet zonder ze.’ Als een auteur dat zegt, klinkt dat alsof hij schuldigen wil vinden voor een literaire loopbaan die met goede uitgevers veel voorspoediger verlopen zou zijn.
Niet heel hándig. Toch vind ik dit een zinvolle, goed geschreven en onderhoudende publicatie. Dat is moedig van mij om te zeggen, want ik kom er zelf ook nog zijdelings in ter sprake, en niet eens héél veel positiever dan ander hier opgevoerd uitgeversvolk. (Het boek ontbeert een register maar ik maak het makkelijk: pagina 147 e.v.) Als uitgever kom je uiteindelijk altijd in enkele voetnoten terecht, voor ons als eenvoudige boekenknechten al een hele triomf.
Al vermoed ik dat de soms moeizame ‘receptie’ van Wieners werk met méér samenhangt dan gerommel aan uitgeverszijde (bijvoorbeeld de in Nederland lauwe, vaak te geringschattende omgang met het genre van korte verhalen), zeker is na lezing van deze herinneringen dat uitgevers nogal eens steken laten vallen, uit opportunisme, uit haast, uit gebrek aan moed, gebrek aan tact, noem maar op.
In die zin heb ik lezing hiervan als stichtelijk en nuttig ervaren: nóóit denken als uitgever dat je het allemaal wel goed doet, en altijd voor ogen blijven houden dat de auteur in het theater van het boek de artiest is, die, met al zijn nukken en grillen, onze eerste en laatste aandacht behoeft.