Podium


Column Joost Nijsen


New York


Joost Nijsen 08-07-2008

Gele taxi’s, surfend over warm en gebarsten asfalt, vervoerden me van uitgever naar uitgever, agency naar agency. Soms maakte ik de bekende Nederlandse vergissing in een wereldstad en besloot ik lopend naar een afspraak te gaan: 34th Street between 5th and 6th Avenue, was dat niet slechts een vijftiental straten en drie avenues van mijn hotel verwijderd? Haha. Een kwartier te laat ter plekke, in de entree van de wolkenkrabber, kon ik mijn kostuum verversen; in de lift naar boven deed ik rekoefeningen om complicaties te voorkomen.
Uitgevers en agenten, hoe gezaghebbend ook, houden in Manhattan kantoor in kamertjes waarin in ons verwende Nederlandse boekenvak nog geen assistent-binnendienst zijn werktijd wil doorbrengen. Drie bij drie, en daar moet je dan al blij mee zijn, want het lagere kantoorpersoneel zit dicht op elkaar achter houten schotten, in middenruimten zónder ramen. Aan reistijd zijn de meesten per dag drie uur kwijt. Twee weken vakantie netto. That’s it, en wie klaagt kan opdonderen.
Erg gezond en ontspannen ogen onze Amerikaanse collega’s dan ook niet.
Daar staat tegenover dat een beetje uitgever of agent minimaal één personal assistant heeft. Met een jonge literaire agent sprak ik over een auteur die, aldus agent in gedreven betoog, in februari een geweldig stuk had geschreven in Esquire. Of ik dat wel gezien had? Op mijn ontkenning riep hij luid richting gang: ‘Tony, could you please get us an Esquire of February?’ Vijf minuten later kwam Tony de kamer binnen, tijdschrift in de hand. ‘Anything else I can do for you on the moment?’ Héérlijk. Dienstverlening.
De gesprekken gingen over boeken en de boekenmarkt. Die laatste staat er slecht bij in de Verenigde Staten, toch al economisch in een dal. De macht is er aan de agenten, die nog altijd grote, niet terugvorderbare voorschotten bedingen bij de uitgevers, waarvan de kleinste überhaupt niet in de literaire eredivisie kunnen meespelen, en de grote wanhopige pogingen doen die voorschotten terug te verdienen. Omdat je ook een dollar maar één keer uit kunt geven, worden de marketingbudgetten toegekend aan de gedoodverfde bestsellers. Minder kansrijke boeken zijn daarmee op slag kansloos.
De zelfstandige boekhandels zijn uit het straatbeeld zo goed als verdwenen (haal nog eens You’ve got mail uit de videotheek, waar boekhandelstycoon Tom Hanks verliefd wordt op het bedreigde boekwinkeltje van de geplaagde, snotterende winkelierster Meg Ryan). De ketens hebben alle macht en worden gerund door managers zonder warenkennis.
Daarbij is iedereen zenuwachtig over de toekomst van het boek. Voor schrijvers zal altijd een markt bestaan, maar zullen de uitgevers nog wel voldoende verdienen, nu het elektronische boek in opkomst is? En verdienen schrijvers tegenwoordig, net zoals hier zo langzamerhand, niet het meest met nevenactiviteiten als artikelen en lezingen?
Angst wordt door de beste uitgevers vertaald in nieuwe initiatieven, boeiend om te signaleren. Zo openden enkele conglomeraten een ‘speakers bureau’, om auteurs aan zich te binden en een zakelijk aandeel te kunnen oogsten in de soms lucratieve lezingen en voordrachten.
Een andere noviteit is de oprichting van een uitgeverij waar auteurs minder hoge tot géén voorschotten ontvangen, maar wél een aandeel in de opbrengst die verder gaat dan de standaardroyalty’s.
Over al deze ontwikkelingen en een vertaalslag ervan naar Nederland dacht ik na, in de taxi’s, maar ook achter een grande latte in de Starbucks-afdelingen van de ketenboekhandels. Dát genoegen smaken we thuis nog niet, dacht ik jaloers.
Terug in het vliegtuig las ik dat Starbucks duizenden werknemers gaat ontslaan en honderden filialen, de meeste kort geleden geopend, gaat sluiten.
Summer in New York: op de temperatuur na was het er eigenlijk al autumn.