Podium


Column Joost Nijsen


Kees Fens


Joost Nijsen 16-06-2008
Niet altijd was iedereen jubelend over Kees Fens. Ik herinner me van de jaren tachtig venijnige aanvallen op met name zijn stijl. Daarbij citeerden de polemisten (wier namen ik vergeten ben) lange stroperige zinnen uit Fens’ stukken in de Volkskrant. In combinatie met de wel erg op de Engelse en katholieke cultuur gerichte thema’s, weerhield zijn vermeend slechte stijl me jarenlang van consequente Fens-lezing. Of laat ik zeggen: ik hoorde niet bij de Fens-fans van het eerste uur.
Pas de laatste pakweg tien jaar ging ik hem vaker lezen en werd ik beetje bij beetje meer liefhebber, juist vanwege het tegendeel van voornoemde: zijn zinnen en beelden waren vaak goddelijk in hun stilistische acrobatiek, en het spectrum van zijn onderwerpen juist verbluffend veelzijdig. Voetbal, amusement, media, literatuur… hij zat overal bovenop en had overal een dikwijls scherpzinnige mening over.
Dus in die eerdere jaren was ik gehandicapt door vooroordelen, al valt niet uit te sluiten dat Fens ook zijn zwakke perioden gekend heeft,- misschien was hij in zijn drukke hoogleraarsperiode in Nijmegen te vol bezet om aan zijn stukken alle aandacht te geven.
Ik hou het op het vooroordeel, dat op een ingewikkelde, paradoxale manier misschien ook samenhangt, diepweg, met mijn eerste (en meteen ook ongeveer laatste) ontmoeting met deze helaas nu van het toneel verdwenen Grand Seigneur.
1980. Ik studeerde af aan de Frederik Muller Academie, afdeling Boekhandel & Uitgeverij,  met een wat magere scriptie over ‘de problematiek van de kleine literaire uitgeverij aan de hand van een praktijkgeval: de heruitgave van Arij Prins’ Een koning’. Ik had er op mijn 22ste speciaal een uitgeverij voor opgericht die ik, in lijn van de toen heersende conventie, megalomaan naar mijzelf noemde (het was de glorietijd van naamgevers als Rob van Gennep, Johan Polak, Geert van Oorschot, Peter Loeb, etc.).
Op de dag van mijn eindexamengesprek over die scriptie kwam het afdelingshoofd met een serieus gezicht de kantine binnen. ‘Joost, even belangrijk. Kees Fens wil je spreken.’
Fens was toen letterkundig opperhoofd van de Frederik Muller Academie, maar dan van de grote afdeling aan de overkant van de gracht, waar de door ons denigrerend ‘stempelaars’ genoemde bibliotheekstudenten resideerden. Hij nam er een heel bijzondere positie in, zelfs de docenten sidderden van ontzag en ontweken uit eerbied en vrees zijn kamer.
Fens had die ochtend in de Volkskrant, toen al niet erg katholiek meer, in de boekenrubriek ‘ISBN’ van Martin Ruyter gelezen over mijn heruitgave van de neoromantische verhalen van Prins. En had direct laten bellen naar de uitgevers-afdeling aan de overkant. Of die Nijsen even wilde langskomen.
Door docenten en medestudenten bewonderend nagekeken (althans, dat stelde ik mij graag als een opgewonden Kees de Jongen zo voor) ondernam ik de tocht naar Fens’ werkkamer. ‘Ja, komt u binnen,’ riep hij me even later kortademig maar uitnodigend toe vanachter zijn bureau. ‘Ik heb maar kort tijd,’ zei hij gehaast, ‘maar ik wil u toch even feliciteren met uw eerste uitgave. Eindelijk heeft deze opleiding een uitgever voortgebracht. Het boek in kwestie heeft slechts een afgeleid literair belang, dat wil ik u graag nog eens uitleggen, maar ik moet nu helaas met andere dingen aan de slag. Ik wens u in elk geval succes met uw loopbaan, prettig dat ik u even de hand heb mogen schudden.’
Half duizelig stak ik weer over. Die namiddag dronk ik tien bier en vertelde iedereen dat Kees Fens me die ochtend een grootse loopbaan had voorspeld.