Column Joost Nijsen


sdaffsd.jpg

PETRA!


Joost Nijsen 23-04-2019

Zoals velen kende ik haar van Kunststof. Petra Possel. Die leuke, warm-vrolijke stem, altijd goed voorbereid op haar gesprekken, altijd gevat, met psychologisch dóórvragen maar nooit om iemand klem te zetten of aan het janken te krijgen. Zij kende mij niet, want hoe kun je een luisteraar kennen? Maar ons wereldje is klein, en we moeten elkaar geregeld gegroet hebben en misschien kort even gesproken, als ik een schrijver naar de opname vergezelde.

Op een dag werd het menens. Ze was haar geliefde verloren en schreef er een boek over dat Podium mocht uitgeven, Vrouw in de rouw. Ze presteerde iets bijzonders: over dat grote verdriet schrijvend in een toonzetting die uiteraard weemoed verried, maar nergens pathetisch werd, of fatalistisch. Vooral dat laatste wist ze te vermijden, van nature geneigd tot monterheid en levenslust.

Haar boek raakte en troostte velen.

Misschien de hoogste vorm van levenskunst: vanuit de put ánderen verlichten.

Haar tweede boek schreef ze louter uit groot gastronomisch plezier (de kant die ze onvermoeibaar toont in het geliefde programma Mangiare!). Oók weer een troostboek eigenlijk, De troost van eten. Over bourgondische geneugten. ‘Haar observaties zijn zacht, warm en vol,’ zei Paul de Leeuw, ‘troostend, tongstrelend en oergeestig.’

Daarna kreeg ze, in eigen woorden, ‘de kolder in de kop’. ‘Ik wilde de stad uit, verkassen naar het platteland. Ik wilde rust, reinheid en regelmaat. Ik verlangde naar boerenjongens in blauwe overalls met knoopgulpen die balen hooi op de kar werpen (…). Ik wilde dat het leven weer langzaam werd.’

Iedereen die in de grote stad woont wordt door dit gevoel wel eens overvallen. Weg van die drukte. Weg van die rat race. Meestal houden we het bij erover dromen. Niet Petra. Ze dééd het gewoon. Sindsdien woont ze in een dorpje met 200 inwoners, aan het Friese IJsselmeer. ‘Toen ik landde in dit lieve dorpje, was ik gebutst en gehavend. Mijn man was sinds een paar jaar dood. Ik was de verdrietige weduwe.’

Ze schreef erover in een fraaie serie in NRC Handelsblad, waarop ze vervolgens haar derde boek baseerde, De stad uit. Mijn hart verpand aan het platteland.

We presenteerden het onlangs in een sfeervol restaurant gevestigd in het historische posthuis in Makkum, met mooie toespraken van onder meer Geert Mak en trekvogelecoloog Theunis Piersma, en lekkere zeemansliederen van Jeroen Zijlstra.

Volle bak. Vele vrienden van Petra, van Harold Hamersma tot Matthijs van Nieuwkerk, toostten er op haar nieuwe boek. Wéér troost: voor stedelingen die ze toont dat het kán, zo maar pas op de plaats maken. Voor Friezen, die zich warmen aan haar oprechte interesse en bewondering voor hun land. Maar vooral voor haarzelf, die alsof het zo bedoeld was, gedurende haar emigratie verknocht raakte aan een nieuwe geliefde, inmiddels ook formeel haar ‘lieve en wijze man’, die haar ’s avonds na de presentatie ontroerd en ontroerend toesprak in… precies, een blauw overall met knoopgulp.

En dan vergeet ik nog de troost die ze de lezer biedt: want wát een gouden pennetje. Elk woord op z’n plaats. De gevierde radiovrouw wordt meer en meer: schrijver. Dat belooft wat voor de toekomst, daar aan haar laptop op het platteland.