Podium


Column Joost Nijsen


Vincent-Van-Gogh.jpg

Cultuurondernemer


Joost Nijsen 04-09-2015

‘Ik gun het Van Gogh Museum ook nieuwe inspiratie,’ zei directeur Axel Rüger in de Volkskrant. Als een voetbalcoach dat zegt over de club waaraan hij leiding geeft, weet je dat hij dicht bij een transfer zit. Het zou me niet verbazen als hij in de bestuurskamer gaat kruipen van een niet-culturele onderneming, temeer daar hij in hetzelfde profiel zijn verbazing uitspreekt over het gemis aan museumdirecteuren in de Raad van Commissarissen van grote ondernemingen.

Onder zijn bewind is het Van Gogh Museum uitgegroeid tot net zo’n geoliede machine als de andere twee grote musea aan het Museumplein. Dat is knap, en heeft zijn bijdrage aan de stad geleverd, maar het roept ook vragen op over het culturele verantwoordelijkheidsgevoel van deze musea. Alles lijkt gericht op voortgaande vergroting van het publieksbereik. Dat leidt in de directe omgeving van deze musea, waar ik al jaren woon, tot verpretparkisering. Zo praat Rüger, bij het interview afgebeeld als een fotomodel voor een topmerk herenkostuums, trots over de nieuwe routing naar de ingang. ‘Wie nu moet wachten, wordt geparkeerd op het Willem Sandbergplein tussen het Van Gogh en het Stedelijk.’ Logistiek snap ik het probleem en de oplossing ervan, maar het heeft er wel toe geleid dat dat korte, lommerrijke laantje getransformeerd is tot een betonblok met beeldschermen en richtingaanwijzers waar het verbouwde Schiphol een puntje aan kan zuigen. ‘We hebben nog geld nodig voor de overkapping,’ zegt de succesvolle cultuurondernemer. Nog even, en het Museumplein lijkt op een luchthaven met airco, koffietentjes en overkapte wandelingen naar museale gates. Misschien kan er een metro getrokken worden rechtstreeks van Schiphol naar de culturele Efteling van Amsterdam? Het is maar een huiveringwekkend visioen.

Belangrijker dan deze aanslag op de schoonheid van het vermaarde plein, is de invulling van het culturele ondernemerschap als zodanig. ‘Ik ben manager van een wereldmerk,’ zegt Rüger. Zoals ook Anne Frank een wereldmerk geworden is. Wat me teleurstelt is de beperkte opvatting van cultureel ondernemen. Natuurlijk, in een Van Gogh Museum moeten vooral Van Goghs hangen, dat begrijp ik. Maar kan er van al dat geld dat verdiend wordt met deze uitzinnige, likkebaardende merchandising, niet ook wat besteed worden aan aanpalende culturele en maatschappelijke objecten en waarden in plaats van de zoveelste verbouwing? Is het niet ook de taak van een cultuurondernemer, of hij nou Rüger heet of Pijbes (die eveneens lijkt door te slaan naar de O van Ondernemer, met een omstreden nationalistisch tintje), met al die winsten ook lastiger te ‘verkopen’ kunst ruimte te geven? Zodat er ook echt sprake blijft van culturele pluriformiteit?

Wij uitgevers zijn daar van oorsprong in getraind, met dat zo fraai geheten fenomeen van de ‘interne subsidiëring’: winsten uit bestsellers aanwenden voor ‘moeilijke boeken’, en niet te vergeten ook de ontwikkeling van nieuwe schrijvers – waarmee je een culturele daad verricht, maar ook op lange termijn economisch zorg draagt voor continuïteit. Juist door de cultuur van morgen een bedding te bieden, leg je ook een economische basis voor later. Palmen, Giphart en Mulisch zijn echt ooit begonnen vanuit een nul-positie, waar eerst geld bíj moest.

Kortom, laat de opvolger van Rüger vooral maar iemand zijn die handig onderneemt, maar de meeste opwinding niet ervaart als hij nóg meer kuddes toeristen in goede banen leidt, maar cultureel interessante en waardevolle vondsten aanbiedt. Het verschil tussen een culturele onderneming en een gewone onderneming is tenslotte, dat de laatste winstmaximalisatie nastreeft, en de eerste pas voortreffelijk functioneert als de winst niet geïnvesteerd wordt in nóg meer winstkansen, maar in de cultuur zelf.