Podium


Column Joost Nijsen


Redacteuren


Joost Nijsen 14-12-2007

In hetzelfde universiteitsgebouw waar ik kort geleden afstudeerde (voor mijn gevoel dan, hè) mocht ik in een klein, toch weer benauwd collegezaaltje praten over het uitgeefvak, ten overstaan (overzítten) van een veelbelovende lichting studenten van de master Redacteur/Editor.
(Bedenk nu pas dat ik had moeten beginnen met advies Néderlands te hanteren, in Nederland.)
(Al nemen wij gecorrumpeerde boekenvakidioten zelf de hele dag termen in de mond als editen, midmarket fiction en selling out, nog te zwijgen over unique selling points en mainstream chick lit).
Op een enkele somber kijkende student na (vanwege een katertje misschien, of een verkeerde studiekeuze, of zoon van een kruidenier die alles op alles heeft gezet zijn overigens geheel dyslectische nageslacht aan een academische titel te helpen) staarde mij een groep aanstaande redacteuren gretig aan. Ik schatte in dat ze liever sappige details vernamen omtrent onze auteurs, dan een keurig referaat omtrent de pro’s & con’s van het inspringen van nieuwe alinea’s. Daarvoor waren ze bij mij natuurlijk aan het goede adres. Ik heb al onze auteurs grondig belachelijk gemaakt, ernstig beschimpt, ontmaskerd en ontheiligd. (Yeah right.)
Ter plekke verzon ik, om de voordracht toch een wetenschappelijk tintje te geven (hoogleraar Lisa Kuitert zat voorin en hield de onbezoldigde gastspreker nauwlettend in de gaten), de drie gulden criteria voor Meesterlijk Redacteurschap: Smaak, Efficiëntie en Diplomatie. Deze trits schijnt nu al in de grachtengordel te rouleren als de SED-Wet.
Bij het onderdeeltje ‘Smaak’ adviseerde ik de aankomende redacteuren, mede op advies van onze eigen senior editor (herstel: jongbejaarde redacteur) Harminke Medendorp, vooral héél veel klassieke literatuur te lezen. Toen ik de geschrokken blik zag op de nog geheel ongerimpelde, volstrekt botoxvrije gezichten, relativeerde ik die eis door te stellen dat je je met betrekking tot een letterkunde als de Franse bijvoorbeeld, desnoods kunt beperken tot lezing van de hoofdwerken van Stendhal, Flaubert, Proust, Sartre, Modiano en Houellebecq. Uiteraard liefst in de oorspronkelijke taal, maar dat hoeft weer niet per se een eerste druk te zijn.
Een enkeling werd het toen al te veel. Tissues, reukwater en troostzalf gingen gretig van hand tot hand. Rechtsachter in het zaaltje kreeg een studente met een rode vlecht extra zuurstof toegediend.
Bij de andere criteria hield ik me toen maar in, beseffend dat dit voor de meeste aanwezigen pas de eerste kennismaking was met het beroepsveld waarvoor ze in training zijn. Bij ‘Efficiëntie’ volstond ik met te zeggen dat het toereikend is als je als redacteur geconcentreerd over een manuscript gebogen kan blijven als om je heen drie telefoons rinkelen, twee stagiaires om aandacht smeken, een dichter huilend binnenkomt, drie vertalers tegelijk melden dat ze de deadline niet halen wegens ziekte in de familie, en de uitgever briesend komt uitleggen dat zoiets als een ‘Alfabetische inhoud’ niet bestaat, dat dat toch echt gewoon ‘Index’ heet, of desnoods ‘Alfabetisch trefwoordenregister’.
Bij dit alles, betoogde ik, dient de ware redacteur het hoofd koel te houden en ten overstaan van de auteur nimmer zijn geduld te verliezen. Eén is dus om, met Smaak voortkomend uit Eruditie & Belezenheid, een manuscript te lijf te gaan, in uiterste Efficiëntie. De echte uitdaging komt pas zodra de redacteur zijn of haar mening aan de auteur mag voorleggen: de meeste auteurs verachten een redacteur die geen Kritisch Commentaar levert, maar krijgen moordneigingen bij een redacteur die wél Kritiek heeft.
Toen Lisa op haar horloge begon te wijzen rondde ik af.
‘Al met al,’ moedigde ik aan, al enige tijd verzonken in de aantekeningen voor mij op tafel, ‘is het redacteurschap een veelzijdige en uitdagende functie.’
Ik keek op en het ineens viel me op hoe groot zo’n zaaltje eigenlijk is, als er verder niemand in zit.