Podium


Column Joost Nijsen


Anton


Joost Nijsen 19-01-2009
Ouderwets lang, drie decennia, was hij directeur van het Letterkundig Museum: Anton Korteweg. Zondag werd hij wegens pensioen uitgezwaaid in De Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Reve en Nescio behoorden tot zijn literaire helden, bleek uit de toespraken. Goeie smaak. En poëzie, véél poëzie. Zijn kraakheldere directeurschap stoelde kennelijk op zijn omarming van de zo zalig verstandige trits ‘rust, reinheid en regelmaat’. Ook werd gememoreerd dat hij al die jaren met de fiets naar zijn werk ging, van Leiden naar Den Haag en weer terug. Wat aantal gereden kilometers betreft, fietste hij zeven keer de aardbol rond. Lukte hem dat omdat hij gezegend is met eeuwige jeugd, of is het andersom en bleef hij jong omdat hij zo krankzinnig veel bewoog? Om een koninklijke onderscheiding in ontvangst te nemen betrad hij het grote podium – dat deed hij dan weer niet vitaal, maar met knikkende knieën. Ik dacht: hij is natuurlijk bloednerveus het woord te moeten voeren voor alle literaire bobo’s van Nederland en Vlaanderen. Een man naast mij fluisterde echter : ‘Zijn knieën zijn kapot’. Van het fietsen, misschien. Op weg naar huis (niet fietsend maar in de auto) mijmerde ik voort, vooral over die ongewone combinatie van rust, reinheid en regelmaat en zijn dichterschap. Waarom gaat een verdienstelijk dichter dertig jaar lang elke dag uren fietsen, en altijd dezelfde route, om in grote beheersing en nuchterheid vergaderingen voor te zitten in een Haagse omgeving? Hoe kan een dichter zo’n voortreffelijke ambtenaar zijn? Mijn vermoeden is dat hij onbewust de regelmaat gekozen heeft omdat ergens in hem het vuur wakkert van de poëzie, van de hartstocht, van de emotie… en alleen een heldere structuur hem op het rechte pad kon houden. Tenminste, overdag dan. Want ook werd gememoreerd dat hij zich thuis voelde in situaties waarin ‘meer gedronken werd dan strikt noodzakelijk was’. Ik vermoed dat hij zelfs in drankgelag precies de grens wist te liggen, wetende dat zich voorbij die grens een terrein opent zónder rust, reinheid, regelmaat. Aan die beheersing van een manager die het hoofd erbij houdt maar ook weet waar het vuur smeult, hebben de Nederlandse schrijvers en hun lezers een beleid te danken van ongewone continuïteit, en een schatkamer met meer literaire documenten dan, hoe zal ik het zeggen, ‘strikt genomen noodzakelijk was’. Korteweg is weg, of, zoals zijn geliefde dichter Kopland al jaren geleden schreef: ‘Iemand toch zal toe moeten zien dat alles voorbijgaat.’