Podium


Column Joost Nijsen


Breyten Woorddwaas


Joost Nijsen 03-06-2008
Terwijl de allengs ouder wordende lezers onder ons zich Breytenbach nog goed herinneren als belangrijk schrijver-schilder in de roerige jaren zeventig en tachtig, schrijft hij zelf lustig voort, alsof hij geen geschiedenis is maar heden. En zo is het precies. Un homme de lettres. Een man van schone en vooral ook springlevende letteren.
Een rijkgeschakeerd, veelzijdig oeuvre staat al op zijn naam, met hoogtepunten als Een seizoen in het paradijs en De ware bekentenissen van een witte terrorist. Enkele jaren geleden ving hij een vierluik aan dat opende met een betoverend essay over lezen en schrijven (Intieme vreemde), nu vervolgd met een dik, fascinerend boek, Woordvogel.
Tussendoor, in 2007, publiceerde hij een forse verzameling oude en nieuwe gedichten, De windvanger, dat in de Nederlandse literaire pers merkwaardig onderbelicht is gebleven. Geeft niet, zolang nog genoeg boekverkopers en lezers het kaf van het koren weten te scheiden.
Zijn nu verschenen Woordvogel is een van de beste boeken die we de laatste jaren mochten uitgeven. Volgens de ondertitel zijn dit de ‘gedenkschriften van een nomadische romanfiguur’. ‘Nomadisch’ omdat de hoofdpersoon, Breyten Woorddwaas, de lezer meesleurt van Parijs tot Genua, Kaapstad tot New York. ‘Gedenkschriften’ omdat het herinneringen zijn aan een fascinerende culturele en maatschappelijke periode (de periode van Breytens eigen kunstenaarschap). Is dit boek aldus bij wijze van spreken een egodocument dat als een parel zou passen in de befaamde literair-autobiografische reeks ‘Privé-domein’? Híér moeten we toch gaan oppassen. Want het zijn niet Breytens eigen memoires, maar die van een ‘romanfiguur’. Breytenbach jongleert in dit boek met het vertelperspectief, dat ligt bij een ik, bij Breyten, bij Woorddwaas… Wat is waar? Wat autobiografisch? Waar schuift de verbeelding bij de werkelijkheid aan tafel?
Het mooie is dat dit virtuoze literaire spel de toegankelijkheid geen moment in gevaar brengt. Dat is te danken aan de sterke poëtische en beeldende kracht, de behendige vertelkunst, en de aaneenschakeling van scherpe observaties over steden, toerisme, immigratie, kunst, poëzie en natuur. Als een acrobaat danst Breyten hier over het koord, zwenkend van lichtvoetigheid naar ernst, van engagement naar spotlust; een sardonische nar, die precies weet wat hij doet en als een pestkop om de lezer heen danst. Een woordvogel.
Dit bonte leesavontuur brengt je voortdurend in de verleiding treffende zinnen en beelden aan te kruisen. ‘Elk nieuws wordt onschuldig als je het een tijdje laat liggen,’ is er zo een (eentje uit duizenden). Of, kijkend naar reizigers op Gare de Lyon: ‘De rugzakken waren alomtegenwoordig, stonden eenzaam overeind. Als grafstenen.’ Zo blijf je aan het citeren. De allermooiste passage is een halve pagina lang, hier dus niet citeerbaar (maar zoek op pagina 50).
Zo gaat het maar door en zo schreef Breyten een boek waarvan ik nu toch echt eens hoop dat vele duizenden lezers het zich niet laten ontgaan. Omdat de literatuur een ontdekkingstocht is en Breytenbach een van zijn grootste avonturiers.