Podium


Column Joost Nijsen


Holt_Klaas_ten_-_Deel_cover_hotel.jpg

HOTEL ALFABET


Joost Nijsen 20-02-2018

De nodige boeken en films dragen een titel met het woord HOTEL erin. Dat Klaas ten Holt zijn romandebuut toch Hotel Alfabet noemde, was onvermijdelijk. Dat zult u wel met me eens zijn, als u de roman gelezen hebt, en het zal weinig verbazing wekken, dat de trotse uitgever u hiertoe van harte uitnodigt.

‘Dit is De toverberg van Thomas Mann herschreven door Tarantino met medewerking van Fellini,’ pitchte ik op de bomvolle presentatie in boekhandel Martyrium – maar die overdrive zult u me wel vergeven.

Wéér een heel sterk Nederlands prozadebuut, kan dat nou wel? Wordt er zo goed geschreven? Ik vind van wel, en beperk me zeker niet tot het eigen fonds. Dat veroorzaakt ten burele van mediaredacties overigens een luxeprobleem, want zoveel boekenpagina’s zijn er nu ook weer niet beschikbaar.

Levensgevaarlijk om de critici die aan dit boek nog niet toekwamen uit te dagen tot kritische lezing. Maar dit debuut loopt dusdanig over van talent, dat ik de superlatieven wel aandurf. Méér dan beloftevol en getalenteerd is dit boek eigenlijk, en dat is het echt verbazingwekkende: dat Hotel Alfabet een debuut is. Uit het niets, al publiceerde Ten Holt, componist en docent aan een conservatorium (niet te verwarren met de legendarische Simeon ten Holt), enige jaren geleden al een uitstekend memoir (over zijn gezin na overlijden van Bibian Harmsen, die over haar ziekte op haar beurt het aangrijpende Paniekspinnen schreef).

De grootste vergissing die de lezer kan maken is dit boek niet met overgave en van begin tot eind te lezen. Aanvankelijk is er de schijn van traagheid – de protagonist is bijna oblomoviaans in zijn aan lethargie grenzende dadenloosheid. Daarin weerspiegelt het vertelritme gewiekst de psychologische en thematische ontwikkeling. Grote woorden! Maar zo is het wel. Tijd speelt een grote rol in dit verhaal, dat zich in een etmaal afspeelt in een wonderlijk hotel in de Transsylvanische Alpen, bevolkt door wonderlijke gasten (of staat de tijd stil?). Tot grofweg halverwege is dit een roman die bijna een eeuw geleden geschreven had kunnen zijn door een ervaren, Midden-Europese auteur. Dan komt er een versnelling en een extremisering in de gebeurtenissen die me de switch van Mann naar Tarantino ingaf. Het slot is verbijsterend in verbeeldingskracht en grenzeloosheid. Was dit nou allemaal wel écht, vraagt de lezer zich ten slotte af. Nee natuurlijk niet, het is fictie, zou ik hier flauw kunnen opmerken.

Op de presentatie, geleid door de onbekommerd enthousiaste beroepslezer Lidewijde Paris, was ook de bekende componist Guus Janssen. Klaas mailde me vandaag dat zijn muzikale collega hem dit schreef: ‘Met veel plezier gelezen, het is een draaikolk van krankzinnige gebeurtenissen. Zeer onderhoudend en mooi geschreven.’

Dat is wat Hotel Alfabet ook onderscheidt van veel andere, om andere redenen uitstekende romandebuten van dit moment: het geeft blijk van een ongewone verbeeldingskracht, en zet ook thematisch hóóg in. Maar ontoegankelijk is het geen moment, integendeel, aan de oppervlakte is het een beheerst geschreven vertelling over die wonderlijke, ambitieloze, aangenaam ergerniswekkende man in een hotel ver weg.

Wie Klaas kent, ziet parallellen met zijn eigen leven (zoals het beroep van componist). Maar schijn bedriegt, en het grootste verschil tussen de in alles weifelende hoofdpersoon en de auteur zelf, is wel dat de laatste hóóg reikt, daarin ook vastberaden is – kennelijk is het Ten Holt ernst, in zijn ontloken schrijverschap. Waarmee dit geen ernstige roman is overigens – bijna slapstick, de gedachten en strapatsen van die rare antiheld Adriaan Hoorndrager (met inbegrip van enkele zonderlinge seksscènes).

Enfin, oordeelt u vooral zelf! Reikhalzend zie ik ook uit naar het oordeel der critici – want een uitgever, zei W.F. Hermans ooit (ik citeer dit te vaak), moet aan de kassa zitten en verder zijn mond houden.