Podium


Column Joost Nijsen


LEVENLOOS


Joost Nijsen 07-12-2010

Jaarlijks worden grote literaire prijzen toegekend voor het beste boek van het verstreken jaar. Op de jury’s en hun keuzes wordt steevast gemopperd, maar zelfs die literaire twisten leveren een positieve bijdrage aan het spel, dat een uitstekend doel dient: aandacht voor de levende letteren.
Helaas blijken de besturen en secretariaten dat ‘levende’ zeer letterlijk op te vatten. De AKO Literatuurprijs heeft in de reglementen opgenomen dat de auteur in leven moet zijn op het moment van het verschijnen van zijn boek. Dat was bijvoorbeeld het geval met Henk van Woerden, die nog nipt de verschijning kon meemaken van zijn laatste roman Ultramarijn, en dus formeel voor een AKO Literatuurprijs in aanmerking had kunnen komen, al overleed hij kort daarna en zou hij dus de prijs niet meer zelf in ontvangst hebben kunnen nemen.
De Libris Literatuurprijs is nog strikter: alleen boeken ‘van auteurs die op het tijdstip dat de jury haar besluit ter zake neemt, in leven zijn’ mogen meedingen. Daarom werd Van Woerden destijds
voor deelname uitgesloten.
Onlangs, kort na Herman Frankes dood, gaven wij zijn laatste, door critici geprezen roman uit, Traag licht. Ik heb de mij verder als kundig en redelijk bekend staande secretarissen van beide prijzen nog eens gevraagd of het juist is dat Frankes laatste roman dus uitgesloten zal worden van jurering.
Dat blijkt het geval. Daarmee kan Franke fluiten naar een postuum eerbetoon voor zijn zwanenzang, al is deze roman kersvers en onderdeel van de ‘levende letteren’ van dit literaire jaar.
De Libris Literatuurprijs gaf me in een e-mail als argument voor dit ‘in-leven’-criterium (als u me toestaat noem ik het een levenloos criterium), dat dit instituut met bekroning ‘de literatuur wil ondersteunen en niet eventuele erfgenamen’.
Is ‘de literatuur’ dan niet gebaat bij toekenning van een prijs aan een roman van een schrijver die de pech had kort voor of kort na de verschijning van zijn laatste boek te overlijden? Ik dacht dat de prijzen bedoeld waren om een literair hoogtepunt voor het voetlicht te brengen, niet om een levende schrijver aanvullende inkomsten te bezorgen (al zullen prijswinnaars de geldcheque op prijs stellen).
In de wandelgangen wordt gefluisterd dat de prijzen zo weigerachtig zijn, omdat met een overleden auteur geen levendig mediamoment gecreëerd kan worden – maar zo unverfroren baatzuchtig kunnen deze eerbiedwaardige prijzen niet zijn. Bovendien, áls het, hoe cynisch ook, vooral om publiciteit zou gaan en om ondersteuning van ‘de literatuur’, dan kun je je geen betere publiciteit voorstellen dan toekenning van een prijs aan een auteur die, ik zou bijna zeggen buiten zijn eigen schuld om, zojuist overleden is. Want dat geeft natuurlijk alleen maar aandacht, een prijs voor het nieuwste en laatste boek van een dode schrijver.
Over de grenzen wordt hier minder bekrompen mee omgegaan. Zo werd Ultramarijn van Van Woerden postuum met de Gouden Uil bekroond – een moedige, waardige beslissing destijds van jury en bestuur van deze Vlaamse prijs, welke ertoe leidde dat deze voorname roman veel extra lezers vond.
De woordvoerder van de Libris Literatuurprijs wijst me erop dat de Man Booker Prize in de reglementen heeft opgenomen dat de auteur ‘must be living at the time of the Award’. Ik vraag me af of men daar weleens voor de situatie heeft gestaan dat een auteur met zijn boek wél nog het genoegen van een long- of shortlist-nominatie proefde, om vervolgens afgevoerd te worden op het moment van overlijden kort voor de toekenning van de Award.
Aangaande het levenloze criterium van literaire prijzen vraag ik me oprecht af, wat het oordeel zou zijn geweest van polemisten als Multatuli, Van Deyssel of W.F. Hermans. Zeker is, dat ze kilo’s mandarijnen en droogstoppels door het deeg van hun betogen geroerd zouden hebben.
Kom op, besturen: verman je, en maak mogelijk dat voortaan ook boeken bekroond kunnen worden van schrijvers die de uitzinnige pech hebben hun laatste adem uit te blazen vóór de avond van het grote feest.