Podium


Column Joost Nijsen


Herman Franke


Joost Nijsen 16-08-2010

Als een ongeneeslijke vorm van kanker te bevechten zou zijn, had Herman zijn ziekte ongetwijfeld triomfantelijk verslagen. Tot op het laatst zocht hij naar gaten in de verdediging van wat hij onomwonden, in steeds iets andere bewoordingen, ‘die smerige kutziekte’ noemde. Dinsdagavond nog wisselde hij, gezeten op de rand van zijn bed, gloedvol met mij van gedachten over zijn werk, zijn dierbare vrienden en lieve familie, en natuurlijk over het verloop van de ziekte. ‘Het klotige is,’ zei hij, ‘dat alles eigenlijk perfect verloopt, behalve dat ik de kracht langzaam voel wegtrekken en bedlegerig dreig te worden. En dan is het zo bekeken.’
Profetische woorden, enkele dagen voor hij bezweek.
Volkomen helder liep hij dinsdagavond op zijn computer nog even zijn website met me door. Diezelfde dag mailde hij onze redacteur Harminke Medendorp nog herzieningen in het manuscript van de roman die postuum, in oktober, zal verschijnen. Hij had er graag nog langer aan gewerkt, maar heeft met de dreigende onvoltooidheid van die roman, Traag licht, een vernuftig spel gespeeld.
Ik hoop dat u het allen zult lezen, dit fascinerende sluitstuk van een romanserie die wat hem betreft nog veel meer delen zou tellen, maar nu tot een drieluik beperkt moest  blijven. Een indrukwekkend drieluik, dat wel – en een waardige afronding van een rijk, imposant oeuvre.
‘Mijn verjaardag zou ik nog wel mee willen maken,’ zei hij dinsdag peinzend. Maar oktober leek ver weg ineens. We maakten nog afspraken over de bundeling van zijn journalistieke en essayistische werk, een kloek boekwerk dat, vermoedelijk in 2011, zal laten zien dat de romancier ook een scherpzinnig en onafhankelijk denker was, die dwars door alle politieke en culturele modes heen brak, voor de duvel niet bang.
Voor de dood was hij natuurlijk wél bang, aan het einde van de dag, want hij was nog lang niet uitgeleefd, met zijn geliefden, en lang niet uitgeschreven.
‘Ik vind jou nou typisch iemand om 95 te worden,’ zei ik vaak. Dat vond hij zelf eigenlijk ook, vermoed ik, dat hij pas zo’n beetje over de helft was.
Toch was er ook de troost en de trots van afronding. Voor wat zijn schrijverschap betreft was hij met name verguld met een groot zomerinterview in NRC Handelsblad, en het eerbetoon van vele voorname collega-schrijvers in het geheel aan Herman gewijde julinummer van De Gids. ‘Het is een beetje alsof ik al dood ben,’ zei hij. ‘Maar is het niet geweldig man, dat ze dat voor me gedaan hebben?’
Zo sloot hij zijn werk en zijn leven in waardigheid af - en heeft de dood daarmee toch een poets gebakken. Voor de rest verwijs ik u naar zijn werk, dat nog lang zal voortleven.