Podium


Nieuws

LuyendijkMensenMidpr.jpg
27-11-2008

Het zijn net mensen verschenen met nawoord

Zojuist verscheen Het zijn net mensen in midprice editie. Het is de 23e druk van deze non-fictiebestseller, die vorig jaar de NS Publieksprijs won en waarvan reeds 250.000 exemplaren over de toonbank gingen. Speciaal voor deze editie schreef Luyendijk een nawoord, dat ook hier te lezen is:

Nawoord bij de 23ste druk

Drie jaar werkte ik aan Het zijn net mensen, en al schrijvend trakteerde ik mezelf soms op een dagdroom over het succes dat het boek, als het eindelijk eindelijk eindelijk af was, zou hebben. In die dagdromen kwam van alles voor, maar niet dat ik nog eens een nawoord zou schrijven bij de drieëntwintigste druk. Of dat ruim twee jaar na verschijning een kwart miljoen exemplaren van het boek zouden zijn verkocht. Dat het twee grote prijzen zou winnen, en vereerd zou worden met een boek vol reacties van collega’s (Het maakbare nieuws, Uitgeverij Balans). Dat Het zijn net mensen onderwerp zou worden van een heuse wetenschappelijke conferentie aan de Erasmus Universiteit, en vertalingen zouden verschijnen in het Duits, Deens, Hongaars, Italiaans, Arabisch en Engels.
Het onderwerp ‘media’ leeft en dat maakt het zo spannend om vooruit te kijken. Hoe kan de journalistiek beter?
Ik denk dat op zeker vier punten verbetering mogelijk is. Zoals naar voren komt in de voorgaande tweehonderd pagina’s geven media een vertekend beeld van de wereld. Niet omdat journalisten onvoldoende hun best doen, maar omdat de wereld zich maar beperkt leent voor journalistiek. Buiten de invloed van journalisten om spelen bij het verzamelen en presenteren van informatie allerlei mechanismes die deze informatie kleuren. Die kleuring is onvermijdelijk, en dus moet je manieren vinden om je publiek ervan te doordringen dat ze niet de Waarheid krijgen, maar een imperfecte en gekleurde versie van die waarheid. Zodat ze de waarde van wat ze zien, horen of lezen maximaal kunnen inschatten.
Hoe? Allereerst moeten journalisten manieren vinden om veel duidelijker te maken wat zij precies brengen, namelijk nieuws. De uitzondering en niet de regel. Dit biedt ook kansen voor wetenschappers en non-fictieschrijvers: om die 99 procent van de werkelijkheid die bij nieuws buiten beeld blijft op andere plekken dwingend over het voetlicht te brengen. Dus niet als ‘achtergrond’ die je al dan niet tot je neemt, maar andersom. Wie wil weten hoe de wereld in elkaar zou kunnen zitten, moet juist die 99 procent van de werkelijkheid tot zich nemen — met het nieuws bijna als achtergrond.
Concreet betekent dit in ieder geval dat redacties terughoudender zouden moeten formuleren. Geen zinnen als ‘Het Midden-Oosten staat in brand’ wanneer er op acht of negen plekken een paar demonstraties of explosies zijn geweest. Niet zeggen: ‘Woedende sjiieten gingen in heel Irak massaal de straat op’ wanneer op een handvol plekken een paar duizend mensen na het vrijdagmiddaggebed een demonstratie met heftige slogans hebben gehouden.
De regel en de uitzondering. Voor de aanslagen van 11 september 2001 wist de gemiddelde niet-islamitische westerling weinig tot niets van de islam. Daarna was de islam nieuws, en uiteraard ging dat over alle misstanden bij moslims. Nieuws is wat afwijkt, en dus heb je het niet over het gewone leven van goed functionerende moslims. Maar wat is na een paar jaar het resultaat van deze stroom slechtnieuwsverhalen? Dat kijkers, lezers en luisteraars in toenemende mate denken: de islam brengt niets dan slechts.
Het was opmerkelijk hoe de afgelopen jaren linkse kranten zich het hoofd braken hoe ze extreem-rechts de wind uit de zeilen konden nemen, terwijl ze met hun berichtgeving zelf al jarenlang in die zeilen blazen. Dat geblaas was goed werk, in journalistieke zin. Maar als je geen manieren vindt om op een pakkende en over-tuigende manier duidelijk te maken dat je het hebt over de uitzonderingen, gaat een deel van je publiek die uitzondering aanzien voor de regel.
Wie vanuit Amerika of het Midden-Oosten opper-vlakkig het nieuws volgt over Nederland, denkt misschien ook dat het hier nu levensgevaarlijk is: je wordt vermoord op straat, daarna misbruiken ze je kind, roken ze een joint en maken tenslotte je oma dood. Een karikatuur? Jazeker, maar zo haalde Nederland de afgelopen jaren het internationale nieuws: de moorden op Van Gogh en Fortuyn, ons softdrugs- en euthanasiebeleid, en de oprichting van de pedopartij.
De tweede hervorming ligt in de verslaggeving over dictaturen. Zolang we over die samenlevingen blijven berichten alsof het democratieën zijn, missen we misschien wel het belangrijkste verhaal: dat mensen daar in onvrijheid leven.
Een werkelijk ander soort journalistiek is nodig, waarbij je eerst benoemt waarom je in zo’n dictatuur niet de soort informatie hebt die je in een democratie vanzelfsprekend bent gaan vinden — en dan met iets interessants komt wat je wél hebt kunnen achterhalen. Stel dat nu de leider van Libië sterft. Dan zou ik als cor-respondent in allerijl een visum, ticket en hotel voor Tripoli moeten regelen. Dat lukt, ik kom vanavond om zes uur aan op Tripoli World Airport, scheur in één keer door naar de studio waar ik live in het Achtuurjournaal kom. ‘Joris, hoe is in Libië gereageerd op de dood van de president?’ In de nieuwe journalistiek zou ik dan niet langer napraten wat mij is doorgebeld of gemaild van de persbureaus en cnn (uitspraken door ‘woordvoerders’ van Gaddafi, datum begrafenis en andere verifieerbare feiten). In plaats daarvan zeg ik: ‘Hoe het land de dood heeft verwerkt is onmogelijk te zeggen, want dit is een politiestaat. Als een Libiër nu de straat op gaat en “hiep hiep hoera” roept, dan gooien ze hem jaren in de gevangenis, of erger. Het is dus ook geen president die is overleden, maar een dictator, een maffiabaas die met geweld heerste. Alle reacties die je nu ziet, de beelden van rouwende menigtes... waarschijnlijk allemaal geregisseerd. Maar twee dingen vallen op: ik ben hier net twee uur en heb nu al meer tanks gezien dan normaal in twee weken in Libië. Het regime lijkt dus zenuwachtig, wat je ook merkt aan de slogans die opeens overal hangen, bijvoorbeeld:...’ Volgens mij hoeft zo’n soort journalis-tiek niet saai te zijn, maar je moet er wel de lokale taal voor kennen en vaker in zo’n land zijn geweest zodat je kunt vergelijken. Dat vergt investeringen, en als je ziet hoeveel er wordt besteed aan de Olympische Spelen is in ieder geval duidelijk dat dit geld er gelukkig is bij omroepen en kranten. Het moet alleen anders worden uitgegeven.
Het is geen nederlaag voor een journalist of corres-pondent dat hij of zij iets niet weet in een dictatuur. In de aanloop naar de Irakoorlog konden we niet weten hoe de Iraakse bevolking zou reageren. Dat was niet onze schuld. Maar toen het Witte Huis voorspelde dat het Amerikaanse leger met rijst en bloemen zou worden verwelkomd, hadden we niet een expert moe-ten zoeken die bereid was te roepen: ‘Onzin!’ (hoor en wederhoor). We hadden het Witte Huis moeten vragen: Hoe weten jullie dat eigenlijk? Wat zijn jullie bronnen en wat is het scenario bij een heel andere reactie van de Irakezen? En als het Witte Huis die vraag ontwijkt, dan had dat de invalshoek moeten zijn: Witte Huis lijkt blind te varen op één scenario.
De derde soort hervorming heeft te maken met de vervlechting tussen beeld en werkelijkheid. Oftewel met de invloed die de berichtgeving heeft op hetgeen waar die berichtgeving over gaat. Pr-campagnes, deals tussen media en machthebbers en andere pogingen van belanghebbenden om de beeldvorming te sturen, moeten onderdeel worden van de berichtgeving. Dit is moeilijk, want je geeft als journalist toe dat je soms gedold wordt, en het gevaar van navelstaarderij is enorm. Maar het is wel nodig.
Waarschijnlijk hebben we hiervoor ook nieuwe begrippen nodig, want ‘echt’ en ‘nep’ voldoen niet meer. De stenengooiers in Ramallah die pas beginnen als de camera’s draaien, zijn oprecht in hun verzet tegen de bezetting. Tegelijk letten ze bij het gooien van die stenen goed op de camera’s. Een veel groter voorbeeld: de waarde voor Al-Qaida van de aanslagen van 11 september lag niet primair in de verwoesting en de schade in New York, maar in de beelden van die verwoesting. Een aanslag is pas geslaagd als er overweldigende media-aandacht voor is. Zo’n aanslag is daarmee niet ‘nep’ of in scene gezet, maar bij de calculaties van terroristen spelen de media een rol. Daar moeten we het over gaan hebben, als journalisten onderling, en met ons publiek.
‘Manipulatie’ is ook zo’n woord dat veel te algemeen is. Er zijn in Nederland zeker drie keer minder journalisten dan voorlichters en pr-consultants. Dat pr-leger doet nauwelijks aan manipulatie in de samenzweerderige zin van ‘stiekem leugens verspreiden’ — ze weten namelijk wat een schade hun organisatie lijdt als dat uitkomt. Maar pr-mensen verdienen hun brood met het zodanig presenteren in de media van hun organisatie dat de leiding van hun organisatie er zo goed mogelijk op staat. Zulke pogingen zijn onderdeel van een gezonde democratie maar je moet ze als media wel benoemen. Niet zeggen: ‘Het Witte Huis is dolblij met de dood van de Iraakse terrorist Al-Zarqawi.’ Maar: ‘Het Witte Huis kiest ervoor om een mediamoment te maken van de dood van de Iraakse terrorist Al-Zarqawi.’ Essentieel is om kritisch na te denken over de termen die belanghebbenden gebruiken. ‘Nederland neemt in Aghanistan deel aan een opbouwmissie’ klinkt echt anders dan ‘Nederland neemt in Afghanistan deel aan de burgeroorlog’. Zie hoe de voedingsindustrie ‘genetische manipulatie’ heeft weten te vervangen door ‘genetische modificatie’, hoe de alarmerende term ‘broeikaseffect’ plaatsmaakte voor het beheersbaar klinkende ‘klimaatverandering’.
Veel dictators of terreurbewegingen maken het journalisten onmogelijk om verslag te doen van hun misdaden, een zuivere vorm van mediamanipulatie. Is het een idee om de chef in een column op de buitenlandpagina eens per dag of week te laten uitleggen wat er, buiten zijn of haar invloed om, helaas allemaal niet in de krant kon komen? Op die plek zou je het ook kunnen hebben over die zaken en verschijnselen in onze samenleving die enorm belangrijk kunnen zijn, maar zich heel slecht lenen voor media-aandacht. Europese landbouwsubsidies zorgen er bijvoorbeeld mede voor dat arme landen hun producten niet bij ons kunnen verkopen, terwijl wij onze gesubsidieerde overschotten wel op hun markten dumpen. Arme landen smeken om een einde aan die subsidies maar ze ontberen mediagenieke bondgenoten in het Westen, dus pakkende media-aandacht krijgen ze niet. Tenzij... je het item op het nieuws op die manier begint, door hardop te benoemen dat sommige belangrijke dingen toch door de mediazeef glippen. Daarna ga je zelf politici langs in Den Haag en Brussel om te vragen hoe zij die landbouwsubsidies verantwoorden zonder dat hun geweten knaagt. En als ze weigeren je te woord te staan, benoem je die weigering. Komen ze toch voor de camera dan kun je meteen vragen waarom ze de Arabische dictators zo royaal steunen — nog zo’n onderwerp dat binnen de klassieke journalistieke wetten niet op de agenda is te krijgen en te houden.
Wie weet helpt het ook wanneer we correspondenten niet meer, of niet alleen, verbinden aan een land. Laten we voortaan een correspondentschap Klimaatverandering instellen, een-tje voor Energie, eentje voor Aids, Vogelpest en andere Enge Nieuwe Ziektes, eentje voor Europese Eenwording, voor Migratievraagstukken en bijvoorbeeld eentje voor Vergrijzing. Waar het om gaat is dat je ruimte schept om, met langlopende series van reportages en analyses, kwesties op de agenda te zetten die op een andere manier on- of onderbelicht blijven.
Wanneer de media hun eigen invloed op de wereld vaker zouden belichten, komt er ook ruimte om de onvermijdelijke partijdigheid van berichtgeving te benoemen, de vierde noodzakelijke verandering. Net als in het Heilige Land moeten journalisten ook in de rest van de wereld altijd kiezen welke zaken ze weglaten, welke vragen ze stellen en welke niet, aan welke partijen en in welke bewoordingen. De opdracht is nu om op een flitsende en spannende manier uit te gaan leggen hoe anders je een situatie of conflict kunt zien als je even een paar woorden anders invult en een paar accenten elders legt. Laat je dit na, dan zul je berichtgeving houden waarin sommige partijen als ‘vijanden van de vrede’ worden weggezet. Zeker nu de oorlog tegen de islamitische terreur eerder slechter gaat dan beter, is het essentieel over te brengen hoe je ook naar het Westen kunt kijken, welke argumenten de terroristen gebruiken en wat voor wereldbeeld daaruit volgt. Ken uw vijand, de christenen wisten het tweeduizend jaar geleden al.
Het is een heel verhaal, deze vier soorten verandering, en ik besef hoe vaag en misschien zelfs onrealistisch veel ervan klinkt. Tegelijk heb ik de afgelopen jaren zoveel enthousiaste reacties gekregen van jonge journalisten, dat ik er het volste vertrouwen in heb dat er snel een nieuwe generatie opstaat die de nieuwe journalistiek zal gaan vormgeven. Kwaliteitsmedia hebben een zodanig snel slinkend en vergrijzend publiek, dat er wel iets móét gebeuren. Hetzij de kwaliteitsmedia gaan fundamenteel anders werken, of ze verdwijnen — en maken alsnog plaats voor Nieuwe Journalistiek. Het kunnen prachtige tijden worden, helemaal nu internet en moderne informatietechnologie deuren opengooien waarvan we niet eens wisten dat ze dichtzaten.
En zo zal het gebeuren dat over een paar jaar mensen zullen terugkijken en zich hoofdschuddend afvragen: ‘Dat de media toen zo in elkaar zaten, niet te geloven.’ ‘Geen wonder dat jongeren daar geen zin meer in hadden,’ zal een ander zeggen, waarna iemand uit de boekenkast van haar ouders een ongelezen exemplaar van Het zijn net mensen trekt, een paar bladzijden leest en roept: ‘Wat een achterhaald boek!’
Amsterdam, oktober 2008

 

Column Joost Nijsen

  • Balancing_act_900_450_90_s_c1_smart_scale.jpg

    Balanceerkunst

    06-12-2016 -

    Een producent heeft andere kwaliteiten en drijfveren dan een winkelier. Hij is bedenker en marketeer van producten, waar de detaillist uit een veelheid van producten een keuze maakt om daar vervolgens zijn klanten mee te bedienen.